Subsidies, accijnzen en wetgeving

SUBSIDIES

1. Toeslagrechten

Het is mogelijk toeslagrechten te activeren voor gronden waar koolzaad op geteeld wordt. Meer informatie over toeslagrechten vindt u via deze link.

2. VLIF-investeringssteun

Voor de investering in een oliepers, bestemd voor productie van pure plantaardige olie (PPO), en voor installaties voor het zuiveren van deze PPO, kan men 28% VLIF-investeringssteun genieten. Het aanpassen van tractoren en andere landbouwmachines voor het gebruik van PPO geniet eenzelfde percentage VLIF-steun, namelijk 28% van de investering. Meer informatie over VLIF-investeringssteun vindt u via deze link.

3. Ecologiepremie

Voor aanvragen vanaf 1 februari 2011 kan de ‘Ecologiepremie Plus’ aangevraagd worden. De ecologiepremie is echter enkel mogelijk voor ondernemingen met bepaalde NACE-codes (NACE is een officiële Europese lijst van activiteitsomschrijvingen). Landbouw (NACE-code 01.xx) komt niet in aanmerking voor de ecologiepremie. Ondernemingen die ondersteunende activiteiten in verband met de teelt van gewassen (enkel exploitatie van irrigatiesystemen en verhuur van landbouwmachines en -werktuigen met bedieningspersoneel) komen wel in aanmerking voor de ecologiepremie. De ecologiepremie wordt niet gegeven aan investeringen waarbij men kan genieten van groenestroom- of warmtekrachtcertificaten. De grootte van deze subsidie is afhankelijk van het meerkostpercentage, het ecologiegetal van de klasse waar de technologie toe behoort, de grootte van de onderneming en de subsidiebonus. Het meerkostpercentage geeft aan welk aandeel van het investeringsbedrag (in essentiële investeringscomponenten) zal gebruikt worden bij de berekening van de subsidie. Het ecologiegetal varieert tussen 1 en 9 en is een maat voor de performantie van de technologie. Afhankelijk van het laten uitvoeren of in bezit zijn van een eerstelijns milieu-/energie-/eco-efficiëntiescan, een milieucertificaat of een milieumanagementsysteem rekent men ook een subsidiebonus door.

Het meerkostpercentage van de investering dat in aanmerking voor de berekening van de subsidie en het ecogetal worden voor verschillende installaties aangaande biobrandstoffen weergegeven in onderstaande tabel.

Type installatie Meerkostpercentage (%) Ecogetal
Tankinfrastructuur voor biodiesel 100 2
Ombouwset van dieselmotoren naar biodieselmotoren (Biodiesel 100%) 100 2
Verbrandingsinstallatie op basis van biobrandstoffen 80 3
Voertuig op biobrandstof (ethanol 95%) 30 2

Voor meer informatie rond de berekening en het bekomen van een ecologiepremie kan u terecht bij het Agentschap Ondernemen.

 

ACCIJNZEN EN WETGEVING

1. Biodiesel

Biodiesel is gedeeltelijk gedefiscaliseerd, d.w.z. dat de accijnzen op deze brandstoffen lager zijn dan op fossiele brandstoffen om de concurrentie met deze brandstoffen mogelijk te maken. In de praktijk wordt een percentage biodiesel vermengd met de gewone diesel.

Er zijn vier biobrandstoffenproducenten van biodiesel die een erkenning kregen van de Belgische Staat (Bioro, Néochim, Oléon en Proviron). Aan elke maatschappij werd door de Ministerraad op voorstel van de Commissie tot Erkenning een volume van biobrandstof toegekend dat kan worden vrijgesteld van accijnzen bij de inverbruikstelling in België.

Enkel de operatoren die vermengde brandstoffen op de Belgische markt brengen, waarvan het biogedeelte koolzaad, uit een erkende productie-eenheid afkomstig is, kunnen genieten van een verminderde accijnsvoet.
 

2. Pure plantaardige olie (PPO)

Zuivere plantaardige olie mag enkel aangewend worden bij aangepaste dieselmotoren. Om koolzaadolie met de code NC514 op de markt te mogen brengen dient men aanvraag te doen bij de Algemene Directie Energie - Dienst Infrastructuur van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie. De beoordeling van deze aanvraag zal gebeuren op basis van technische kenmerken van de biobrandstof alsook de wijze van vermarkting. Voor PPO van koolzaad is in de wetgeving (KB van 10 maart 2006) een fiscale vrijstellling voorzien. Hier zijn voor de producent van koolzaadolie als motorbrandstof echter een aantal voorwaarden aan verbonden:

  • de landbouwer (al dan niet in coöperatief verband) verkoopt rechtstreeks aan de verbruiker;
  • de verkochte olie is afkomstig van koolzaad van eigen productie;
  • het persen gebeurt door de landbouwer in kwestie of via loonwerk;
  • men dient in het bezit te zijn van een machtiging "erkend entrepothouder" (Administratie der Douane en Accijnzen);
  • men dient te beschikken over een vergunning energieproducten en elektriciteit "andere" (Administratie der Douane & Accijnzen);
  • men dient te beschikken over een certificaat (beslissing tot afwijking), bekomen na aanvraag te doen bij FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie. Dit doet men door het verzenden van een toelatingsformulier en een kwaliteitscertificaat dat volgende engagementen bevat:

2.1 De kwaliteit van de aangeboden koolzaadolie

  • De kwaliteit dient stabiel te zijn, schadelijke emissies moeten worden beperkt.
  • Het moet om zuivere koolzaadolie gaan, d.w.z. geen bijmengingen van andere (plantaardige) afkomst.
  • De productie gebeurt door koude persing.
  • Koolzaadolie wordt goed en niet langer dan drie maanden opgeslagen in een zuurstofarme, donkere, goed tegen water afgeschermde omgeving bij een zo constant mogelijke temperatuur van best 10°C. Opslagtanks en transportmiddelen bestaan uit kunststof, roestvrij staal of inox. PPO bezit namelijk een hoog zuurgehalte. De kwaliteit kan achteruitgaan door afbraak door bacteriën, opname van water en oxidatie; vrije vetzuren ontstaan door laatste twee genoemde processen en veroorzaken schade aan de motor. Het is mogelijk omwille van het risico op oxidatie om een antioxidant als BHT toe te voegen.
  • Er mogen geen schimmelwerende middelen gebruikt worden, enkel BHT is toegestaan (concentraties lager dan 0,2%) als antioxidant; kleurmiddelen moeten aangegeven worden bij de federale overheidsdiensten.

2.2 De controle van de kwaliteit van deze koolzaadolie

  • Controle gebeurt door het Fonds voor de analyse van de aardolieproducten (FAPETRO) aan de hand van een reeks parameters (joodgetal, aanwezigheid van metalen, visuele controle, viscositeit, zuurtegraad,...).
     
  • De producent houdt bij: datum van oogst, bewerkte oppervlakte, hoeveelheden geperste korrels, hoeveelheden bekomen koolzaadolie en de plaats van stockage.

2.3 De aanbiedingswijze van deze koolzaadolie

  • De pompen zijn voorzien van een aan de voorschriften voldoende meter, een leesbaar label "100% koolzaadolie PPO" met een diameter van minstens 7,5 cm en een waarschuwend label "WAARSCHUWING: HET GEBRUIK VAN DEZE BRANDSTOF IN NIET AANGEPASTE DIESELMOTOREN OF IN BENZINEMOTOREN KAN ERNSTIGE SCHADE VEROORZAKEN" met een hoogte van minstens 8 cm.

2.4 De informatie aan de eindgebruiker die deze biobrandstof op de markt wensen te brengen.

  • Bij het verkooppunt van koolzaadolie dient de brochure van FOD Economie en FOD Volksgezondheid kosteloos op een zichtbare plaats beschikbaar te zijn voor de eindgebruiker.
  • Ook is er te lezen dat kwalitatief stabiel PPO enkel kan worden gebruikt voor aangepaste dieselmotoren, dat de geproduceerde PPO niet dient voor de voedingsketen en niet eetbaar is en welke problemen er mogelijk zijn.
  • Men kan steeds terecht op de websites van de betrokken administraties voor verdere informatie.

Bij het persen van koolzaad is er verder ook een milieuvergunning klasse 2 (gemeentelijk) nodig voor een opslagplaats die meer dan 10 ton koolzaadolie kan stockeren. Voor een pers met een vermogen tussen 5 en 200 kW geldt meldingsplicht.

Meer info

Voor meer informatie kan u terecht op de website van de Federale Overheidsdienst (FOD) Economie, K.M.O., Middenstand en Energie. Meer informatie vindt u ook in volgende publicatie van de Vlaamse Overheid van oktober 2007: 'Koolzaadolie verkopen als brandstof - Hoe begin ik eraan?'.