Teelt en verwerking
Teeltcyclus wilg 3-jarig systeem
Een uitvergrote versie van dit teeltschema vindt u hier:
-
Wilg 3-jarige teeltcyclus.jpg
(134 KB)
Teeltcyclus populier 5-jarig systeem
Een uitvergrote versie van dit teeltschema vindt u hier:
-
Populier 5-jarige teeltcyclus.jpg
(153 KB)
De teelt
1. Keuze van de locatie
Heel wat bodems zijn geschikt, maar voor wilg en populier is een
rijke leemhoudende bodem met een goede watervoorziening ideaal;
extremen moeten vermeden worden: waterverzadigd of zeer droog. De
bodem is best niet zuur (pH 5,5 – 7 is optimaal). Wilg verdraagt
iets nattere gronden dan populier.
De beplanting wordt ruim 8 m hoog en heeft daardoor een duidelijke
visuele impact op het
landschap. Houd er ook rekening mee dat zeer vochtige gronden
weliswaar (zeer) geschikt kunnen zijn voor bepaalde boomsoorten
(zoals wilg), maar dat het perceel ook voldoende dragend vermogen
moet hebben omtijdens de wintermaanden machinaal geoogst te
worden..Tenslotte is ook de vorm van het perceel belangrijk. Omdat
machinaal geoogst wordt en de machines niet op de stobben kunnen
rijden moet een voldoende brede kopakker (12m) voorzien worden
zodat de machine kan draaien. Een rechthoekig perceel zla dus veel
minder kopakker hebben dan een driehoekig perceel.
2. Terreinvoorbereidende werken
Aangezien op korteomloophoutpercelen twintig jaar lang dezelfde aanplanting wordt gebruikt is het zeer belangrijk om bij de aanleg zorgvuldig te werk te gaan. Een goede bodemvoorbereiding is van cruciaal belang. Perceel per perceel moeten goed afgewogen worden wat de nodige ingrepen zijn. Vaak is de nodige kennis en ervaring daarvoor bij plaatselijke landbouwers aanwezig.
Korteomloophout is gebaat met een goede doorworteling. Indien mogelijk wordt er in de herfst geploegd, tot 30 cm diep. Hierdoor worden ook eventuele onkruidzaden diep in de bodem gebracht, wat concurrerende onkruidgroei onderdrukt. Bij een zeer explosieve onkruidgroei van bijvoorbeeld kweek valt een behandeling met glyfosaat te verantwoorden (bijvoorbeeld 5l/ha ). In het voorjaar wordt er gefreesd en vlak voor de aanleg wordt het terrein mooi effen geëgd. Bij een gegronde vrees voor sterke onkruiddruk door een abundante zaadbank kan overwogen worden om een vooropkomstbehandeling te doen met bijvoorbeeld Propyzamide. Uiteraard moet voor ieder perceel nagegaan worden of het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen toegelaten is.
Korteomloophout kan ook baat hebben bij voorafgaandelijke bemesting en of bekalking. Een bodemanalyse kan uitsluitsel geven over de nood hieraan. De ideale pH voor KOH ligt tussen 5,5 en 7, aan de hand van een bepaling van de zuurtegraad kan de nodige dosis berekend worden, idem voor de bemesting.
3. Aanplant
3.1. Plantmateriaal
Het plantmateriaal van KOH moet voldoen aan een aantal
basisvoorwaarden om in aanmerking te komen voor
biomassaproductie:
- Snelgroeiende boomsoort;
- Goede beworteling
- Resistent tegen ziektes en aandoeningen;
- Een goede teruggroei na oogst . Een goede stamvorm is geen must, integendeel: goed uitstruikende variëteiten verdienen eigenlijk de voorkeur.
Zowel wilg alsook populier voldoen aan deze voorwaarden. Bovendien zijn het boomsoorten die zich makkelijk als stek laten aanplanten. Enerzijds bestaat het “Zweedse” KOH-systeem waarbij wilgen in dubbele rijen aangeplant worden en machinaal geoogst. Een dergelijke aanplant kan 7 cycli (elke 3 jaar oogsten) na elkaar geoogst worden.
Anderzijds bestaat ook het systeem waarbij populierenstekken of – poten in een wijder plantverband aangeplant worden. Dit systeem wordt ook vaak het ‘Italiaans’ of ‘Amerikaans’ systeem genoemd. (zie onder voor meer info)
Wij hebben het meeste ervaring in korteomloophout met wilgen. Om het ziekterisico te spreiden is het wel sterk aan te raden voldoende genetische variëteit in de aanplanting te gebruiken. Er is de mogelijkheid om in blokken aan te planten per variëteit, maar ook individuele mengingen zijn mogelijk. Indien een bepaalde variëteit dan toch afsterft of ondermaats produceert, dan worden de opengevallen plaatsen vlug ingenomen door de overige planten, waardoor de verliezen gecompenseerd worden.
Op de 5 ha proefvelden die werden aangelegd sinds 2004 werden bijna uitsluitend Zweedse klonen gebruikt:
Wilgenvariëteiten
- Tora S. viminalis x schwerinnii Zweeds
- Olof S. vim x (vimx schwer) Zweeds
- Loden S. dasyclados Zweeds
- Torhild ((Salix schwerinii x S. viminalis) x S. viminalis) Zweeds
- Raamberger S. triandra Nederlands
- Tordis (S.schwerinii x S. viminalis) x S. viminalis Zweeds
- Gudrun S. dasyclados Zweeds
- Klara (S. burjatica x S. viminalis) x S. burjatica)x(S.viminalis x (S. schwerinii x S. viminalis) Zweeds
In Zweden en Engeland is reeds heel wat ervaring met wilg voor korteomloophout. De veredeling van goed groeiende wilgenvarieteiten is daar het verst gevorderd. Vooral katwilg (Salix viminalis) en kruisingen van katwilg met S. schwerinii vertonen een goede groei.
In de definitie van korteomloophout is de boomsoort niet
gedefinieerd. Dit geeft de vrijheid om ook andere streekeigen
boomsoorten te introduceren.
Zeer recent (april 2010) plantten we in Zedelgem en Rijckevelde ook
andere boomsoorten aan die voldoen aan bovenvernoemde voorwaarden.
Ze zullen vermoedelijk niet zo snel groeien als wilgen- en
populierenklonen maar door het feit dat het om inheemse boomsoorten
gaat, kan een betere aanpassing aan ons klimaat en betere
resistentie tegen de bij ons voorkomende ziektes en plagen een
grote winst betekenen. Zwarte els, es, gewone esdoorn, ruwe berk en
boswilg vonden een plaatsje op de KOH-percelen. Deze boomsoorten
laten het niet toe om als stek aangeplant te worden, ze werden
aangeplant als éénjarig boompje.
Met deze experimentele aanplant willen we nagaan of ook streekeigen soorten potenties hebben om beheerd te worden in een korteomloophout systeem. Op die manier kan dan gedacht worden om machinaal oogstbare streekeigen houtkanten aan te leggen in het landschap. Naast de hogere biodiversiteitswaarde en hun functie als verbinding in het landschap leveren ze ook nog biomassa op.
De afstand in de rij varieert van 0,90m over 0,60 m tot zelfs
0,30 m, wat respectievelijk 10000, 15000
en 30000 stekken per hectare betekent. Er is een tendens om naar
een hoger aantal stekken per
hectare te evolueren, wat natuurlijk de aanlegkosten verhoogt.
Onderzoek wees ook al uit dat hoe hoger de plantdichtheid is, hoe
hoger de houtproductie ligt. Al zijn daar natuurlijk ook grenzen
aan. Daarom wordt in het algemeen gekozen voor een plantdichtheid
van ± 15.000stekken /ha.
Tenslotte is het heel belangrijk dat er bij het plannen van de aanplanting kopakkers voorzien worden, vrije zones op de akkers (ca. 12 m) aan de uiteinden van de rijen, die de machines toelaten te draaien zonder met hun wielen over de stobben te moeten rijden.
3.2. Het planten van wilg
Het planten van de stekken kan gebeuren met een nauwkeurig
afgestelde preiplanter of met een kolenplanter. Het kan ook
semi-machinaal gebeuren door manueel te planten in de voren die
door tractor aangedreven plantschijven getrokken worden. Opdat de
stekken voldoende diep en stevig geplant worden, is het van belang
dat het terrein zeer effen geëgd is. Wanneer de stekken te veel
boven de grond uitsteken bestaat de kans op uitdroging. In Zweden
wordt ook vaak geplant met een stepplanter. Hier wordt er gewerkt
met poten, die in de grond geschoten worden en net boven de grond
afgesneden tot stekken.
Het planten gebeurt het best in het voorjaar. De stekken moeten strak in de rij geplant worden, indien men later vlot de verdere machinale interventies wil kunnen uitvoeren. Belangrijk is er voor te zorgen dat de stekken niet uitdrogen tijdens of net voor de aanplanting, daarom worden ze best voorafgaand uit de zon gehouden, afgedekt en/of in het water gezet, een aangrenzende beek is hiervoor ideaal.
Plantdichtheid en plantverband bij wilgen de plantdichtheid wordt bepaald door het streven naar een optimale biomassaproductie per hectare waarbij op regelmatige tijdstippen door de oogstmachines geoogst kan worden. Een te wijde plantafstand en/of te lange rotatie resulteert in weinig en dikke scheuten die niet meer mechanisch kunnen verwerkt worden. Bovendien zorgt een hoge bezetting voor een snellere onkruidonderdrukking.
Het plantdesign wordt beïnvloed door de ter beschikking staande oogstmachines. Meestal worden tweelingrijen aangeplant met 0,75 m tussen de rijen en 1,5 m tussen de gekoppelde rijen. Dit laat de oogstmachine toe telkens de twee rijen van de tweelingrijen te oogsten zonder op de afgezette stobben te rijden.
3.3. Het planten van populier
Het Zweedse systeem
Naast wilg is ook populier omwille van zijn eigenschappen
potentieel een goede boomsoort om in het Zweedse design (dubbele
rijen met anderhalve meter tussenruimte en driejaarlijkse oogst)
onder KOH-beheer te telen. Populieren zijn namelijk uitermate
snelle groeiers en lopen in de meeste gevallen vlot weer uit na
oogst. In Vlaanderen werd populier tot op heden echter minder
gebruikt voor KOH-toepassingen dan wilg. De slechte reputatie die
populier heeft door zijn gevoeligheid voor de roestschimmelziekte
is één van de redenen hiervoor. De beperkte ervaring met populier,
geteeld onder het Zweeds systeem leiden ook tot de conclusie dat
heropschieten van populier problematisch kan zijn. Op het
demoperceel in Rijckevelde (Brugge) was het zelfs noodzakelijk om
de aanplanting te vernieuwen na tweemaal te hebben geoogst. De
redenen voor het slecht heropschieten van de populier in dit
specifieke geval waren echter niet duidelijk. In tegenstelling
bestaan er veel voorbeelden uit het buitenland waar populier wel
met succes wordt ingezet.
In 2010 startte de Universiteit Antwerpen in samenwerking met het
Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) en groep Mouton een
grootschalig vier jaar durend onderzoeksproject (POPFULL
http://webh01.ua.ac.be/popfull/index.php?lang=nl ) waarbij de
projectpartners voornamelijk populierenklonen aanplantten in het
Zweedse design.
In 2010 werd 18 ha korteomloophout aangelegd en is hiermee de
grootste bio-energie plantage in België. Ongetwijfeld zal dit
leiden tot een betere inschatting van de potenties van populier
voor KOH in Vlaanderen. Ook in het voor Vlaanderen nieuwe
“Italiaanse” of “Amerikaanse” korteomloophout systeem komt populier
weliswaar onder een verschillend beheer volop in the picture.
“het Italiaanse of Amerikaanse systeem”
Tot op heden plantten landbouwers en andere
initiatiefnemers in Vlaanderen nagenoeg uitsluitend aan in het
Zweedse systeem: wilgen- of populierenklonen, als korte stekken
aangeplant in dubbele rijen met een tussenruimte van anderhalve
meter en om de twee à drie jaar oogst. Onlangs vond een ander
systeem dat de mosterd haalde bij het “Italiaanse” of “Amerikaanse”
systeem ook ingang in Vlaanderen. De aanplanting ziet er vrij
verschillend uit dan bij het Zweedse systeem en heeft tot gevolg
dat de aanplanting het beheer en de oogst op een andere manier
(moeten) gebeuren.
In dit systeem worden uitsluitend populierenpoten (meerjarig
plantgoed zonder wortels) van anderhalve tot twee meter aangeplant
in een breder plantverband. Het plantverband (2 m op 3 m tot 3 m op
3m) leidt er toe dat er veel minder planten per hectare nodig zijn
en dat er per individuele plant meer ruimte is waardoor ze grotere
kronen kunnen vormen en dikkere stammetjes produceren. Momenteel is
in Vlaanderen nog geen machine beschikbaar die machinaal populieren
op deze manier kan aanplanten, de aanplantingen gebeuren dus nog
manueel (een gat boren en poten de grond in duwen). Machines voor
dergelijke aanplantingen zijn echter bestaande.
Ook kenmerkend voor dit systeem is de langere omlooptijd. De oogst
vindt maar plaats na vijf jaar. Naast het bredere plantverband is
dit eveneens een factor die er voor zorgt dat het eindproduct
dikkere stammen oplevert. Ook na de tweede oogst zullen de stammen
grotere diameters hebben omdat populier, meer dan wilg, de neiging
heeft om ook vanuit teruggezette stoven minder scheuten te laten
ontspruiten. Na twee maal te oogsten (dus vijf en tien jaar na
aanplanting) moet de aanplanting vernieuwd worden. Hierbij kan men
opteren voor een ontstronking wat echter een grote meerkost
betekent of kiezen voor aanplanting tussen de oude stronken in.
Dankzij het brede plantverband is dit zeker mogelijk, bovendien
heeft dit als voordeel dat er meer organisch materiaal in de bodem
wordt gehouden.
Door de dikkere stammen is de maïshakselaar met voorzetstuk niet
meer toereikend. Alternatieve oogstmethoden zijn dus aan de orde.
Een mogelijkheid is om in de winter met een lichte harvester (of
kettingzaag) de bomen te vellen en te stapelen tussen de rijen en
deze op te halen wanneer de bodemtoestand het beter toe laat om met
zwaardere machines op het terrein te gaan.
Bij vergelijking met het Zweedse systeem springen op het eerste
zicht enkele belangrijke voordelen in het oog waarbij we echter ook
kanttekeningen moeten plaatsen. Het wijdere plantverband leidt er
toe dat er minder plantmateriaal nodig is maar de prijzen per poot
zijn wel een veelvoud van de prijzen per korte stek. Onkruiddruk
die in het Zweedse systeem vaak een belangrijk aandachtspunt is, is
hier veel minder aan de orde omdat met langere poten wordt gewerkt
die sowieso boven de kruidlaag uit komen. De dikkere stammen kennen
dankzij hun dimensie ook een breder toepassingsgebied (pulp- en
plaatindustrie). Een belangrijk nadeel van het nieuwe systeem is
het feit dat de aanplanting na 10 jaar vernieuwd moet worden, in
het Zweedse systeem kan normaal 7 rotaties of 21 jaar met dezelfde
planten gewerkt worden. Naast het Zweedse systeem waar in
Vlaanderen al meer expertise over aanwezig is, is deze alternatieve
methode zeker het onderzoeken waard.
4. Beheer
Het beheer van KOH bevindt zich op het raakvlak van landbouw- en
bosbouwpraktijken. Hieronder worden de verschillende aspecten
beschreven. Belangrijk is de algemene regel dat KOH qua
interventies en inputs extensiever is dan de meeste huidige
landbouwpraktijken. Er wordt maar ongeveer om de drie jaar geoogst
en bemesting en gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen zijn
beperkt tot het eerste jaar. Uiteraard is de teelt van KOH wel
intensiever dan bosbouw waar de omlooptijden nog veel hoger liggen.
Om die reden kan deze teelt ook uitstekend een bufferfunctie tussen
beide
landgebruiksvormen vervullen.
4.1. Onkruidbestrijding
Aangezien de aanplanting meestal gebeurt met kortstekken (20 cm),
die bij het planten bijna volledig in de grond steken, is het
noodzakelijk dat, gedurende het eerste jaar van aanplanting, het
terrein goed onkruidvrij gehouden wordt. Bij verwaarlozing van de
onkruidbestrijding is de kans zeer reëel dat een groot deel van de
bomen een groeiachterstand zal oplopen of zelfs volledig afsterven.
De investering in de aanplanting moet immers 21 jaar of meer
renderen. Belangrijk is om de aanplant van nabij op te volgen en
onkruidbestrijding snel in te zetten indien nodig. Voor ieder
perceel zullen de omstandigheden (voormalig landgebruik,
bodemkenmerken, omliggend landgebruik, aanwezige zaadbank…) anders
zijn en ook de weersomstandigheden zijn erg bepalend. Zo zal het
bij een droog voorjaar langer duren alvorens de wilgenstekken
wortels vormen en hun groei starten. Belangrijk is om onder ideale
condities te starten met een onkruidvrij perceel. Door het ploegen
van het perceel kunnen onkruidzaden die oppervlakkig in de zaadbank
aanwezig zijn dieper in de bodem gebracht om zo kieming te
voorkomen. Het is ook aangewezen om gebruik te maken van een
vooropkomstbehandeling tegen kiemend onkruid. Dit kan met behulp
van Propyzamide.
Na de aanplant zal een mechanische onkruidbestrijding in de meeste gevallen volstaan. Dit kan eventueel gebeuren in combinatie met chemische bestrijding.
De machines moeten perfect afgesteld zijn om beschadiging
van de bomen te voorkomen (hier is ook het perfect volgen van de
plantdesign belangrijk). Een tractor met schoffelmachine uitegrust
met vingerwieders is in staat om een grondige onkruidbestrijding
tussen de rijen te doen. De rubberen vingerwiedersdienen om het
onkruid tot zeer tegen de bomen te verwijderen, terwijl de
schoffels dienen om de gangen tussen de rijen onkruidvrijd te
houden.De mechanische onkruidbestrijding dient steeds onder
drogende omstandigheden (bij goed weer) plaats te vinden zodat het
onkruid dat beschadigd wordt snel opdroogt en afsterft. Bij natte
voorjaren is deze techniek dus moeilijk toe te passen en het is dus
begrijpelijk dat resultaten hiermee variabel zijn. Ook belangrijk
is dat deze techniek toegepast wordt in vrij vroeg stadium, wanneer
de onkruiden als kiemplantje voorkomen. Eenmaal groter is het vaak
moeilijk de onkruiden nog te vernietigen.
Normaal gezien zijn drie schoffelbeurten voldoende tijdens het
eerste groeiseizoen om ervoor te zorgen dat de boompjes een hoogte
van een meter bereiken. Vanaf dat moment is mechanische
onkruidbestrijing niet meer nodig daar de boompjes het onkruid
overschaduwen en de concurrentie met eventuele onkruiden onbestaand
is.
Wanneer mechanische onkruidbestrijding niet volstaat kan steeds ook
ook chemische onkruidbestrijding toegepast worden. Producten die
hiervoor in aanmerking komen zijn glufosinaat (7,5l/ha) (breed
spectrum herbicide) al of niet in combinatie met Isoxaben (0,5l
-1l/ha) (tegen kiemende tweezaadlobbige onkruiden). Het gebruik van
glyfosaat is afgeraden daar wilg erg gevoelig is hiervoor. Bij het
toepassen van chemische onkruidbestrijding is het steeds de
aangewezen te spuiten met een kap om drift naar de wilgen te
vermijden.
Vanaf het einde van het eerste groeiseizoen zijn de planten groot
genoeg om boven het onkruid door te groeien. De schaduw die ze
vormen onderdrukt bovendien de onkruidgroei en de daarmee
samengaande concurrentie. Het is gebleken dat onkruidbestrijding na
de oogst niet nodig is daar de wilgen veel sneller groeien dan de
onkruiden en zo de onkruiden snel onderdrukken en overschaduwen.
nodig zijn, omdat de struiken dan een snelle en sterke hergroei
vertonen dankzij een reeds uitgebreid wortelstelsel.
4.2. Bemesting
Het toepassen van een bemesting in het eerste groeiseizoen is
niet aanbevolen omdat de bomen niet snel genoeg een wortelsysteem
ontwikkelen voor een effectieve opnamen van de nutriënten.
Daarnaast is tijdens het eerste jaar de onkruidbestrijding vaak het
grootste probleem en een bemesting zal de onkruiddruk vaak nog
verergeren.
Uit eerste onderzoeksresultaten blijkt wel dat een aanvullende
bemesting (na één of meerdere oogsten) mettertijd noodzakelijk zal
zijn. Maar uiteraard hangt de bemestingsnood sterk af van de
bodemrijkdom van de standplaats en de groeisnelheid van de
boomsoort. Na elk jaar komen een deel van de opgenomen nutriënten
ook terug vrij via de bladval. Want in principe wordt alleen het
hout geoogst; de oogst gebeurt immers in de winterperiode. Uit
onderzoek blijkt dat het merendeel van de nutriënten aldus ter
plaatse kan blijven, maar desalniettemin blijft het noodzakelijk de
bodemvruchtbaarheid en nutriëntenvoorraad door regelmatige analyse
op te volgen, zodat indien nodig kan bemest worden.
Uit literatuur blijkt dat de nutriëntenbehoefte voor wilgen bij een droge stofopbrengst tussen de 8 à 10 ton/ha/jaar, varieert tussen 150 en 400kg stikstof (N), tussen 180 en 250 kg Kalium (K) en tussen 24 en 48 kg fosfor (P) per cyclus (3 jaar).
4.3. Groei
De wilgen groeien erg snel en overschaduwen na 3 à 4 maanden het onkruid volledig. Op het einde van het eerste groeiseizoen bereiken de wilgen makkelijk een hoogte van 3 à 4 m. Traditioneel wordt korteomloophout geoogst in een cyclus van 2 à 4 jaar. Op dat moment bereiken ze in sommige gevallen hoogtes van 8 a 10m.
4.4. Plagen, ziektes en wildvraat
De veredeling van de wilgen (en populieren) voor KOH is er op
gericht ziektetolerante bomen te selecteren.
Aanplantingen met wilg en populier kunnen immers belaagd worden
door wilgenhaantjes
(Phratora vitellinae of Phratora vulgatissima). Die kunnen op korte
tijd heel wat blad wegvreten wat in sommige gevallen kan leiden tot
opbrengstverliezen. Momenteel gebeurt bestrijding meestal door het
toepassen van een breedwerkend pyretroïde, bij gebrek aan
alternatieve bestrijdingswijzen.
Toepassen van een insecticide is enkel mogelijk kort na aanplant of
oogst. Het is bovendien ook milieuonvriendelijk omdat samen met de
plaaginsecten ook alle nuttige insecten worden gedood en wellicht
oneconomisch.
Hetzelfde geldt voor de toepassing van fungiciden bij aantastingen
door ziekten zoals roest.
Een goede genetische menging biedt hier een betere oplossing tegen insecten- en andere plagen. Onderstaande tabel geeft weer dat niet alle variëteiten dezelfde gevoeligheid hebben voor wat betreft plagen en ziekten. Het kan vaak interessanter te zijn om een kloon te kiezen die iets minder opbrengt, maar welke minder ziektegevoelig is.
Ook het creëren van een completer ecosysteem en betere habitatcontinuïteit is een mogelijke maatregel. Door bijvoorbeeld een houtkant aan te planten langs het perceel (met inheemse boomsoorten) wordt aan de natuurlijke vijanden van het wilgenhaantje een betere kans geboden.
Wanneer er een zekere wilddruk in de omgeving is, kan ook dit een probleem vormen. Reeën, konijnen en hazen kunnen aanzienlijke schade toebrengen aan de aanplanting, vooral in het eerste jaar. In het groeiseizoen reduceren ze de bladbiomassa en in de winter vreten ze de knoppen weg. Rasters zijn een mogelijke maatregel maar betekenen een hoge investeringskost. Eens de planten een zekere hoogte bereiken, is dit probleem echter van de baan. Reeën hebben wel ook de neiging om dunne takken af te kraken om toch de bladeren nog te kunnen bereiken. In de grootste delen van Vlaanderen is de wilddruk echter geen probleem.
5. Oogst
5.1. Tijdstip
De oogst gebeurt in principe tijdens de winter, wanneer de bomen
in rust zijn .
KOH oogsten is uiteraard een operatie die de nodige kosten met zich
meebrengt. Belangrijk is dan ook de oogst te plannen op het moment
dat de bijgroei op zijn top zit. Maximale biomassa-aanwas wordt
gerealiseerd op het moment dat het bladerscherm gesloten is.
Meestal wordt een cyclus aangehouden waarbij elke 3 jaar geoogst
wordt. Het tijdstip van de oogst bepaalt tevens hoe groot en hoe
dik de boompjes zijn, wat bepaalde eisen aan de oogstmachine stelt.
Bij goed groeiende wilgenvarieteiten die gemakkelijk uitstoelen kan
het oogsten in bepaalde gevallen zelfs al na 2 jaar
plaatsvinden.
5.2. Machinale oogst
5.2.1. Maïshakselaar met speciale oogstkop
De oogst kan op verschillende manieren gebeuren. In Vlaanderen is
momenteel echter maar één oogstmachine beschikbaar. Deze module
bestaat uit een maïshakselaar waarop een speciale oogstkop wordt
gemonteerd in combinatie met een tractor en oplegger waarop de
houtsnippers worden geblazen (vergelijkbaar met de oogst van maïs).
De oogstkop bestaat uit twee snel roterende cirkelvormige messen om
de takken af te zagen, twee invoerkegels (trage rotatie, verticaal)
en 2 invoerrollen (trage rotatie, horizontaal). Aan de
maïshakselaar zelf zijn geen extra aanpassingen nodig.
Tijdens de oogst wordt telkens één dubbele rij geoogst. De
stammetjes worden afgesneden en ter plaatse verhakseld. Naast de
hakselaar rijdt een tractor met oplegger waarop de houtsnippers
geblazen worden. Met deze methode kan men een zeer propere,
uniforme houtsnipper produceren, wat door de verwerker zeer
geapprecieerd wordt. Op deze manier kan op grote aaneengesloten
percelen tot 2 hectare per uur geoogst worden. De maximale
stamdiameter is 15 cm en de bekomen snippers hebben afmetingen
tussen 10 en 45 mm.
Nadeel van deze machine is het grote gewicht. In Noord-Europese
landen zoals in Zweden geeft dit geen problemen omdat ze op de
vorst kunnen rijden en zo geen structuurschade veroorzaken. In
Vlaanderen daarentegen zijn de winters meestal nat en het aantal
vorstdagen beperkt waardoor het inzetten van dergelijke machines
moeilijker is.
5.2.2. Whole-stem harvester
Bij deze oogstmethode waarvan de module bestaat uit een machine die
wordt getrokken door een tractor worden de stammen afgezaagd en in
hun geheel getransporteerd naar een laadbak. Wanneer de laadbak vol
is worden de stammen op de kopakker gelost, waar ze later op het
jaar verhakseld kunnen worden. Eerste voordeel van deze machine is
dat ze door een kleiner gewicht minder schade toebrengt aan de
bodemstructuur en dus geschikter is voor natte bodems. De machines
zijn kleiner, wendbaarder en er is dus ook minder plaatsverlies
door kopakkers.
Het is geen probleem dat bladbiomassa mee wordt geoogst. Doordat de
stammen in hun geheel worden te drogen gelegd, kunnen de bladeren
er tijdens het drogen afvallen (verse bladeren tussen versnipperd
hout kunnen problemen opleveren bij het drogen en verbranden). Er
kan dus gedurende een ruimere periode van het jaar kan geoogst
worden. De machine is echter wel nog niet beschikbaar in België.
5.2.3. Tractor met oogstmodule
Bij deze module wordt een hakselaar gemonteerd op de achterkant
van een tractor. De dubbele rijen worden door de hakselaar
afgezaagd, versnipperd en in de oplegger die ernaast loopt
geblazen. Bij deze beweging rijdt de tractor achterwaarts.
Ook deze machines zijn kleiner en wendbaarder waardoor er minder
plaatsverlies is door kopakkers.
Deze twee laatst beschreven oogstmachines zijn beiden een pak
lichter dan de maïshakselaar en daarom waarschijnlijk ook meer
geschikt voor Vlaamse context, maar momenteel zijn deze enkel in
het buitenland beschikbaar.
BRON (http://www.schmidtstahlbau.de)
5.2.4. Kettingzaag
Door de lage beschikbaarheid van machines en het kleinschalige
karakter van de percelen in Vlaanderen is de kettingzaag uiteraard
ook een goed alternatief en eveneens bruikbaar op voor machines
onbereikbare plaatsen en kleine percelen. Ook voor KOH dat in een
andere plantdesign aangeplant is (bijvoorbeeld populieren in een 1
op 1 meter plantverband) is de kettingzaag door het ontbreken van
andere machines de enige optie.
5.2.6. Ontstronken
In Vlaanderen bestaan voorlopig nog geen percelen ouder dan 7tal
jaar maar ervaringen in het buitenland leren ons dat een
aanplanting 6 a 7 keer kan geoogst worden. Wil men dan een nieuwe
aanplanting met KOH aanleggen of terugkeren naar reguliere
landbouw, dan moeten de stronken
eruit. Er zijn verschillende manieren om dit te doen. Na de laatste
oogst behandelt men de
teruggroei eventueel met een herbicide. De stronken kunnen in de
bodem ingewerkt worden met een zware bosfrees of met een
volleveldfrees.











