Praktijkvoorbeeld en proefveldresultaten
De productiviteit van een perceel korteomloophout hangt in
sterke mate af van het type bodem en de bodemomstandigheden. Wilgen
verdragen over het algemeen een nattere bodem maar toch worden de
hoogste producties gezien op gronden met een goede waterhuishouding
en een goede kwaliteit.
Ook plagen zoals het wilgenhaantje en eventuele ziekten of
schimmels kunnen soms leiden tot lagere opbrengsten. In de
literatuur wordt in het algemeen aangenomen dat gemiddelde
opbrengsten van 12 ton droge stof (DS)/ha /jaar gehaald worden.
Op het proefperceel in Beitem waar met een dichtheid van 15000
stekken/ha werd aangeplant, werd zowel na twee jaar als na drie
jaar geoogst en werden opbrengsten nauwkeurig bepaald.
De duidelijk hogere opbrengsten van Tora in vergelijking met deze
na twee jaar groei kunnen vermoedelijk verklaard worden door de
heterogene bodemomstandigheden (lokale structuurschade door
gedempte waterput).
Na 3 jaar behaalt Tora dus de beste opbrengsten, vrij kort gevolgd
door de andere Zweedse klonen Tordis, Olof en Inger.
Ook hier werden gemiddelde opbrengsten berekend met en zonder
Raamberger omwille van zijn bijzonder lage opbrengsten in
vergelijking met de Zweedse variëteiten.
Indien we enkel Zweedse klonen zouden gebruiken, dan zien we dat de
jaarlijkse opbrengsten uitgedrukt in droge stof (DS) ruim
anderhalve ton hoger liggen per ha.
Gemiddelde opbrengst = 16,71 ton DS/ha/jaar (incl Raamberger)
Gemiddelde opbrengst = 18,39 ton DS/ha/jaar (excl Raamberger)
Wel moet bij deze opbrengstresultaten vermeld worden dat de omstandigheden waaronder de aanplant en beheer gebeurd zijn, ideaal waren. De aanplant is gebeurd op een voormalig grasland, de onkruiddruk was laag en ook het bodemtype (vochtige zand-leem) en -omstandigheden zijn optimaal. Daarom beschouwen we deze opbrengsten als de bovengrens. Vermoedelijk zullen de opbrengsten dus meestal iets lager liggen.
Aan de hand van onderstaande vergelijking kan een inschatting gemaakt worden van de het equivalent aan stookolie dat kan vervangen worden door de houtsnippers afkomstig van korteomloophoutteelt.
Op het achterste deel van het perceel was de opbrengst duidelijk
lager. Dit deel van het proefperceel is lager gelegen en
bodemomstandigheden zijn niet optimaal. Gedurende een groot deel
van het jaar staat er water op het perceel.
Dit levert het bewijs dat korteomloophout op marginalere waterzieke
gronden niet iedeaal is voro biomassaproductie.
Onderstaande toont de gemeten opbrengstverliezen.
Algemeen kan gesteld worden dat als korteomloophout aangeplant wordt op natte gronden van slechte kwaliteit (marginale gronden), men opbrengtsverliezen van ruim de helft kan verwachten in vergelijking met de aanplant op gronden van goede kwaliteit. Omdat de investeringskosten voor de aanplant vrij hoog liggen, is het van belang de aanplant op goede bodems te realseren met het oog op een snelle terugverdientijd en een hoge biomassaproductie.
Tenslotte kan aan de hand van onderstaande vergelijking een
inschatting gemaakt worden van de het equivalent aan stookolie dat
kan vervangen worden door de houtsnippers afkomstig van
korteomloophoutteelt.
Indien we uitgaan van een gemiddelde opbrengst van 12 ton
DS/ha/jaar, dan betekent dit een equivalent jaarlijkse productie
van ongeveer 5000l stookolie/ha/jaar.
Uit de grafiek kunnen we afleiden dat de opbrengsten sterk
uiteen lopen afhankelijk van de kloon die gebruikt wordt. De
opbrengsten schommelen tussen een minimum van ongeveer 8 en een
maximum van 16 ton DS/ha/jaar. Tordis is hier de absolute
recordhouder, op de voet gevolgd door Olof en Inger.
Raamberger, een wilgenvariëteit van Nederlandse afkomst, deed het
qua groei minst goed. Omdat we ervan uitgaan dat deze kloon in de
toekomst niet meer zal aangeplant worden, werd ook de gemiddelde
jaarlijkse opbrengst berekend zonder Raamberger.
Gemiddelde opbrengst: 11,39 ton DS/ha/jaar. (incl Raamberger)
Gemiddelde opbrengst: 12,32 ton DS/ha/jaar. (excl Raamberger)
Na 3 jaar zien we dat de gemiddelde jaarlijkse opbrengst bij
alle klonen nog fors is toegenomen, behalve bij de Nederlandse
kloon Raamberger.
Praktijkvoorbeelden
1. Zelfvoorziening voor de landbouwer
Steeds meer tuinbouw- en sierteeltbedrijven schakelen over op de
verbranding van biomassa voor het verwarmen van hun serres. De
voornaamste stimulans hiervoor is de stijgende prijs van fossiele
brandstoffen. Eind 2006 koos ook sierteler Talpe uit Wervik ervoor
om zijn versleten stookolieketel niet te vernieuwen, maar over te
schakelen op een houtverbrandingsketel. Hij koos ervoor een ketel
te installeren met een vermogen van 100Kw die zowel houtpellets als
houtsnippers kan verbranden.
Met deze ketel verwarmt hij de 2000 m2 serres, waarin hij
allerhande perkplanten en potchrysanten teelt. Als brandstof
gebruikt de familie Talpe momenteel voornamelijk snoeihout (deels
afkomstig uit hun landschapsbedrijfsplan) dat zij zelf drogen in
een overdekte sleufsilo. Na 3-5 maanden drogen door natuurlijke
convectie is het vochtgehalte gedaald van 50% naar minder dan 30%
en gaan de snippers naar de voorraadbunker. Daar worden ze via een
roterende arm en een vijzel in de verbrandingskamer gebracht.
Dankzij het hoogtechnologische en efficiënte sturingssysteem is de
ketel extra zuinig en kan de ketel indien nodig tot 10 dagen
volledig autonoom werken. Ondertussen werd naast de
verbrandingsketel ook een geïsoleerd buffervat van 10 000 liter
geïnstalleerd. Ook dankzij dit buffervat is de
houtverbrandingsketel in staat om zuiniger te verwarmen en op elk
moment de gevraagde warmte te leveren.
Eerder nam de landbouwer deel aan een project van de provincie West-Vlaanderen waarbij een landschapsbedrijfsplan wordt opgemaakt en houtige landschapselementen worden aangeplant. Naast het hout afkomstig van deze bomen en houtkanten zal hij binnen een tweetal jaar zijn eerste hectare KOH kunnen oogsten. Met de aanplant van deze eerste hectare korteomloophout in het voorjaar 2008 was Talpe meteen ook de eerste landbouwer die zijn eigen houtakker aanplantte, een primeur voor Vlaanderen. In het voorjaar 2009 plantte hij reeds zijn 2de hectare aan waardoor hij met de twee percelen in staat zal zijn om ongeveer in twee derde van zijn totale energiebehoefte te voorzien. De eerste jaren zal hij dus wel nog genoodzaakt blijven om een deel van zijn brandstof aan te kopen, maar mettertijd wil hij ca. 3 hectare aanplanten om dan volledig zelfvoorzienend te zijn op vlak van energie.
Op jaarbasis heeft dit bedrijf 32 ton droge houtsnippers nodig,
wat overeenstemt met de opbrengst van 1 hectare KOH na 3 jaar.
Naast het feit dat hout een stuk goedkoper is dan stookolie, is het
ook een stuk milieuvriendelijker en ook daarom past het erg goed in
de ecologische bedrijfsvoering van de familie Talpe. Het zuivere
snoeihout is bovendien een CO2-neutrale brandstof, dat wil zeggen
dat bij verbranding dezelfde hoeveelheid CO2 vrijkomt als er werd
vast gelegd tijdens de groei. De as is het enige restproduct dat
overblijft (<1% van het startvolume). Alhoewel de
verwarmingsketel op hout tot 5x duurder was dan de normale
stookolieketel, zal in principe op ca. 6,5 jaar tijd de meerkost
ten opzichte van een stookolieketel terugverdiend zijn. Als ook de
40% VLIF-steun wordt
meegerekend waarvan tuinbouwer Talpe kon genieten bij de
investering in deze
verbrandingsinstallatie, zal de investering op 3,8 jaar
terugverdiend zijn.
2. KOH: een kans voor lokale overheden
Een ander mooi voorbeeld van het toepassen van korteomloophout is het project “Gazenbois” in Doornik. In het kader van een Europees project SUS-CIT (sustainable cities) werd een biomassaketel gebouwd die dankzij warmtekrachtkoppeling (WKK) zowel elektriciteit als warmte zal leveren. De centrale is in staat om een elektrisch vermogen van 300 kW en een thermisch vermogen van 550 kW te leveren. De warmte en elektriciteit worden aangewend om het nabijgelegen stedelijke zwembad te verwarmen en te voorzien van elektriciteit.
Op jaarbasis is de centrale in staat om 1 650 000 kWh aan elektriciteit te leveren en 11 000 GJ aan warmte. Het jaarlijks verbruik aan elektriciteit en warmte van het zwembad bedraagt respectievelijk 1 000 000 kWh en 6 000 GJ. Het overschot aan warmte wordt aangewend om de houtsnippers te drogen en in de toekomst wellicht ook om enkele huizen in de buurt te verwarmen, terwijl het overschot aan geproduceerde elektriciteit op het net gaat in ruil voor groene stroomcertificaten.
Jaarlijks is hiervoor 1 350 ton droge houtsnippers nodig.
Hiervoor ging Doornik de samenwerking aan met landbouwers op haar
grondgebied, die in contractteelt KOH aanlegden voor de stad.
Daarnaast zal ook gebruik gemaakt worden van hout afkomstig uit
landschaps- en groenonderhoud, van tuinaannemers en uit onderhoud
van randen van autosnelwegen met houtige beplantingen.
Momenteel is er zo ca. 25 hectare korteomloophout aangeplant bij
een achttal landbouwers in een straal van 15 km rond het zwembad.
Het plantgoed werd aangeleverd door het project, maar de
landbouwers staan in voor het beheer van de aanplant (bv.
onkruidbestrijding, plaagbestrijding, …). De oogst gebeurt door de
stad Doornik, maar het transport ervan naar de centrale is voor de
landbouwer. De stad Doornik beloofde de houtsnippers te kopen van
de landbouwers voor een prijs van 50€/ton droge stof. In het geval
dat de houtprijs sterk zou stijgen, zou de overeengekomen prijs
opgetrokken worden. Voor sommige landbouwers was het feit dat
percelen met KOH beschutting bieden aan vele dieren (bv. fazanten,
reeën…), wat ten goede komt aan de jacht, een bijkomende
stimulans om KOH aan te planten.
In april 2010 werd ook in Zedelgem (West-Vlaanderen) op een
landbouwakker in eigendom van de gemeente twee hectare KOH
aangeplant. Op de ene helft van het perceel werden drie
wilgenklonen (Tordis, Gudrun en Klara) aangeplant. Op de andere
helft werden enkel inheemse boomsoorten (ruwe berk, zwarte els en
boswilg) aangeplant. Op beide helften is de aanplanting
gerealiseerd in een blokkenpatroon die bestaan uit 6 dubbele rijen
KOH van ongeveer 40 meter lang. Homogene (met één soort) en
gemengde blokken (twee of drie soorten) wisselen elkaar af. Dit
aanplantingdesign zal zeker de biodiversiteit bevorderen en laat
toe om de potenties van de verschillende wilgenklonen en inheemse
boomsoorten wetenschappelijk met elkaar te vergelijken.











