Nieuwsoverzicht

< terug naar overzicht

Warmteverliezen in vleeskuikenstallen door het oog van de warmtecamera

Kuikens in het ei en net na uitkomst kunnen hun lichaamstemperatuur niet goed regelen. Ze zijn ‘koudbloedig ‘ (poikylotherm); hun lichaamstemperatuur is afhankelijk van de omgeving.  Pas vanaf een leeftijd van 5 dagen kunnen ze zelf hun temperatuur regelen (thermoregulatie). De eerste dagen is de temperatuur van de stal dus cruciaal. De kuikens worden opgevangen bij een temperatuur van 34 à 35 °C. Bij de opstart met lichte ééndagskuikens van jonge moederdieren mag de staltemperatuur nog 1 à 2 °C hoger worden ingesteld, om deze zwakkere dieren een goede start te geven. Na de opzet daalt de streeftemperatuur slechts geleidelijk.

Vooral in koude winters is de verwarming van de stallen een grote kostenpost op het pluimveebedrijf. Daarom is het interessant om bestaande pluimveestallen eens onder de loep te nemen en te kijken op welke plaatsen warmte verloren gaat.

Wat is het principe van een infraroodcamera?

Ieder voorwerp verspreidt infraroodstralen. Deze straling is een maat voor de oppervlaktetemperatuur van dit voorwerp. In het warmtebeeld herken je een temperatuurverschil door een kleurverschil in het beeld. Om een zo goed mogelijk contrast te verkrijgen is het best dat het temperatuurverschil tussen de binnen- en buitentemperatuur voldoende groot is. Daarom gebeurden de metingen liefst rond de opzet in een winterperiode.

Deze winter hebben we zowel nieuwe stallen met ventielen en lengteventilatie bezocht , als oudere gemetselde stallen met doorlopende kleppen. In beide stallen zijn verschillende knelpunten aanwezig op verschillende plaatsen:

Vastgestelde knelpunten en koudebruggen in vleeskuikenstallen

  • In oude gemetselde stallen vonden we de koudebruggen vooral bij de zichtbare spanten, aangezien de zijmuren meestal gemetseld zijn tussen de spanten. Wanneer de muren gemetseld zijn voor het spantprofiel, scoren de stallen beter. Maar ook barsten en spleten in muren zijn oorzaken van koudebruggen
  • Wanneer de betonpanelen voor de spanten worden geplaatst, moet de afwerking tussen de panelen onderling goed gebeuren. Wanneer de betonpanelen tussen de spanten worden geplaatst (kopgevels), zorgt dit vaak voor extra koudebruggen die leiden tot condensvorming. De warmtecamera detecteert ook slecht geplaatste isolatie in panelen of ontbrekende isolatie. Op sommige locaties zagen we ook de transportgrepen in panelen, aangebracht voor het vlot verplaatsen van de panelen met de kraan.
  • Een goede plaatsing van de ventielen is uiteraard belangrijk, maar controleer zeker ook de goede werking of afstelling van de ventielen.
  • Tussen de isolatiepanelen van het plafond ontstaan ook vaak kieren. In oudere stallen omdat het tand-en-groef systeem niet meer mooi aansluit, maar ook in nieuwe stallen zijn de panelen niet altijd zorgvuldig geplaatst.

 

Figuur 1 Kieren tussen isolatiepanelen

  • Verder ontstaan er vaak koudebruggen bij de afwerking van de nok en nokventilatoren.  Zorg er zeker voor dat je dit voorkomt om te vermijden dat koude inkomende lucht neerslaat en slecht strooisel veroorzaakt.
  • Grote ventilatoren in de kopgevel veroorzaken ook vaak lekverliezen. Een betere afwerking met een betonplex bekisting of een metalen kap voorzien van isolatie is belangrijk. Voorzie ook de buitenkant van de ventilatoren van een luik of schuifdeur om condensvorming te vermijden.
  • Werk poorten en deuren af met een goede afkisting om lekverliezen te vermijden en voorzie een goede kwaliteit bouwmateriaal. Controleer ook regelmatig of poorten en deuren nog goed sluiten. Aan de onderkant van de poort kan je een afkisting voorzien (breder dan de poort) en achter de afkisting eventueel verder isoleren met strooiselmateriaal. Dit voorkomt tocht ter hoogte van de kuikens.

Figuur 2 Poort zonder afkisting en poort met afkisting

  • Bij de overgang van de muren naar de vloer, zien we ook regelmatig dat de temperatuur lager ligt. Zorg ervoor dat de grondtrook rondom de stallen droog is want vocht transporteert koude sneller.

 

Welke aanpassingen zijn nog mogelijk in een bestaande stal?

  • Controleer dakgoten regelmatig op lekken. Insijpelend vocht is nefast voor het isolerend vermogen van de stalmuren. Een brede dakoversteek is wenselijk.
  • Hou de grondstrook naast de stallen zo droog mogelijk. Graaf eventueel een draineerbuis in of leg een laag grind rond de stal. Lage beplanting neemt ook meer water op uit de bovenste grondlaag.
  • Slijp de vloerplaat door onder de poort, dit onderbreekt de koude instroom via de betonvloer.
  • Vul barsten en scheuren in gemetste muren op tijdens de leegstand.
  • Laat de nok, het plafond en een gedeelte van de zijmuren door een erkende firma opspuiten met een laag purschuim van 2 à 3 cm.
  • Vervang een gehavende deur door een massieve houten deur met een goede afkisting rondom de deuropening.
  • Hang kunststof tochtstroken vóór de stal en maak de stroken aan de onderkant vast. Zo creëer je een stilstaande isolerende luchtlaag voor de poort, zeker nuttig in de winter.

Wat zijn de mogelijkheden van na-isolatie in de stallenbouw?

Na-isolatie wordt tegenwoordig vaak toegepast in de woningbouw. De concurrentie tussen de verschillende firma’s is groot en een prijsvergelijking loont zich. Een goede uitvoering van de werken is vaak belangrijker dan de keuze van het isolatiemateriaal. Een controle met een IR-camera na de aanpassingen is zeker wenselijk. Er zijn verschillende mogelijkheden:

  • Na-isoleren van bestaande spouwmuur met EPS (isomo-korrels) of PUR schuim.
  • Na-isoleren van bestaande muren met een buitengevelisolatie en een afwerkingslaag uit  bijvoorbeeld kunststofplaten.
  • Na-isolatie van het plafond met een bijkomende laag die dwars op bestaande constructie geplaatst wordt.

Tips van de architect als je aan nieuwbouw denkt:

  • Transportgrepen wegwerken tijdens de plaatsing van de stal (of met zuignappen werken).
  • Plaats de panelen voor de spanten, ook op de kopgevels. Dit reduceert de koudebruggen.
  • Bestel de plafondpanelen uit één stuk (van dakgoot tot aan de nok).
  • Laat de isolatie in de muren doorlopen onder de vloer over een breedte van 50 cm.
  • Laat je nieuwe stal nameten met de IR-camera bij het eerste opwarmen: fouten worden snel zichtbaar.
  • Kies sandwichpanelen met doorlopende isolatie zonder koudebruggen (8 cm PIR). 
  • Zorg dat de isolatie ter hoogte van de aansluiting van de muur met het plafond niet onderbroken wordt.

Voor meer informatie of voor de vraag naar een warmtescan kan u contact opnemen met het Proefbedrijf Pluimveehouderij.

Sofie Cardinaels

< terug naar overzicht